Home

Wat is een handicap?

Wat is een handicap?

Handicap | Beperking

Wanneer je bepaalde vaardigheden niet of niet optimaal meer kan gebruiken ten gevolge van een onderliggende stoornis spreken we van een beperking of een handicap. Deze vaardigheden gaan meestal over de medische kant van een handicap. Een handicap gaat ook om alles wat jou hindert om volwaardig deel te kunnen nemen aan de samenleving. En dus jouw maatschappelijke ontwikkeling in de weg staat. Om echt van een handicap te kunnen spreken moet de stoornis langdurig en belangrijk zijn. Dat wil zeggen dat het definitief of chronisch is en dat je extra ondersteuning en/of begeleiding nodig hebt.

Fysieke handicap

Sommige mensen zitten in een rolstoel omdat ze hun benen niet of moeilijk kunnen gebruiken. Anderen kunnen hun spieren niet goed controleren waardoor ze hun bewegingen minder goed kunnen sturen. We spreken dan over fysieke of lichamelijke handicaps, die heb je wanneer een deel van je lichaam niet goed of anders functioneert. Er zijn heel veel verschillende soorten fysieke handicaps, een aantal voorbeelden daarvan zijn de ziekte van Parkinson, Multiple sclerose, ALS, de ziekte van Duchenne…

Mentale handicap

Bij een mentale of verstandelijke handicap is de ontwikkeling van je hersenen anders dan bij je leeftijdsgenoten. Dit kan zich bijvoorbeeld uiten door het feit dat je minder goed dingen kan onthouden, of moeilijker teksten kan snappen. Mensen met een mentale handicap hebben vaak ondersteuning nodig met wonen, op school, op werk en in (sociaal) contact maken met andere mensen. Voorbeelden van mentale handicaps kunnen zijn het Syndroom van Down, Fragiele X-Syndroom, Smith-Magnis Syndroom…

Dubbele handicap

Als iemand zowel een fysieke als een mentale handicap heeft noemen we dit een dubbele of meervoudige handicap. Wanneer iemand heel zwaar fysiek en mentaal beperkt is spreken we van een EMB (ernstig meervoudige beperking).

Cognitieve beperking

Sommige mensen hebben moeite met het verwerken van informatie, problemen met hun geheugen of met andere hersenfuncties zoals taal, dat noemen we een cognitieve beperking. Dit zegt niks over jouw IQ. Denk hierbij aan een NAH (Niet-aangeboren Hersenletsel) of de ziekte van Alzheimer.

Zintuigelijke handicap

Zintuigen die we het best kennen zijn de ogen om te zien, de neus om te ruiken, de oren om te horen, de tong om te proeven en de huid om te voelen. Bij mensen met een zintuigelijke beperking werken één of meerdere zintuigen niet of minder goed. Je kan dan bijvoorbeeld een auditieve beperking hebben waarbij je slechthorend of doof bent. Een ander voorbeeld is een visuele beperking waarbij je slechtziend of blind bent. 

Is het een persoon met een beperking of een persoon met een handicap?

Een goede vraag. Je vraagt best aan de persoon zelf hoe die aangesproken wil worden. Hoe je iemand aanspreekt is soms heel persoonlijk en kan ook een negatieve connotatie hebben. ‘Een persoon met autisme’ of ‘een persoon die autisme heeft’ zeggen kan voor sommige personen heel erg verschillen. De Inclusie Ambassade vroeg dit na en maakte er een artikel over. 


Wat is ADHD? 

Onoplettendheid, hyperactiviteit en impulsiviteit zijn de kernsymptomen van ADHD. Die drie zaken komen niet bij elk kind of elke jongere met ADHD in dezelfde mate voor. 

Soms hoor je dat ADHD staat voor ‘Alle Dagen (Heel) Druk’. Dat is geen officiële vertaling, maar zo kan je je wel iets voorstellen bij de beperking. ADHD staat officieel voor ‘Attention Deficit Hyperactivity Disorder’, wat zich het best laat vertalen als ‘Aandachtstekort-hyperactiviteitsstoornis’. 

Hoe ondersteun je een kind of jongere met ADHD? 

  • Zorg voor structuur en voorspelbaarheid: Maak een duidelijke planning en overloop die met je deelnemers. Voorzie genoeg momenten waarbij je leden voldoende kunnen bewegen zodat ze hun gedachten de vrije loop kunnen laten. Maak duidelijke afspraken over wat waar thuishoort, en ondersteun met labeltjes, pictogrammen of een checklist. Baken je terrein goed af en maak duidelijk in welke ruimte je wat mag doen. 
  • Wees consequent wanneer je iemand aanspreekt op diens gedrag: Maak ook duidelijk waarom bepaald gedrag niet oké is: ‘Wat je nu gedaan hebt, is niet oké. Daarom ga ik je nu even aan de kant zetten tot je afgekoeld bent.’ Als je lid dan niet wil luisteren, blijf je herhalen dat hun gedrag niet oké is en dat er nog een straf zal volgen. 
  • Besteed voldoende aandacht aan spelregels en afspraken: Maak met je medeleiding afspraken over hoe je reageert op bepaald gedrag. Maak met je leden duidelijke afspraken over wat kan en niet kan en wat de gevolgen zijn. Hang ze ergens op zodat iedereen ze kan herbekijken. Bij situaties die vaak moeilijker lopen, herinner je je leden het beste aan wat de regels zijn en welk gedrag je verwacht. Beloon gewenst gedrag. Een complimentje of schouderklopje geven kost geen moeite. Of misschien vinden jullie een creatiever beloonsysteem?
  • Let op de manier waarop je communiceert: Gebruik eenvoudige taal, hou het kort en concreet. Trek de aandacht door bijvoorbeeld een teken of een zin à la "Krak? Boem!" af te spreken waarop de leden moeten luisteren naar jou. Splits lange opdrachten op in kleine stappen en ondersteun je speluitleg met voldoende gebaren en doe opdrachten voor. Check of iedereen alles begrepen heeft. 
  • Bied genoeg variatie: Las bij rustige activiteiten regelmatig een uitleefmoment in en maak bij drukke en competitieve activiteiten tijd voor afkoelmomentjes. 
  • Vraag ondersteuning: Ouders kennen hun kinderen het beste. Daarom is het belangrijk om een goed contact met hen te hebben. Zo kunnen jullie de afspraken goed op elkaar afstemmen. 


Wat is autisme? 

Autismespectrumstoornis of ASS (dat is de afkorting voor autismespectrumstoornis) heeft vele gezichten, daarom gaat het ook over een spectrum. Er zijn verschillende vormen, effecten en niveaus aanwezig. Pas als je iemand met ASS beter leert kennen, gaan er een aantal dingen opvallen. Zo zullen de communicatie en interactie anders lopen dan bij de meeste kinderen en hebben kinderen met ASS het moeilijk met veranderingen. Ook overgevoeligheid voor prikkels is een kenmerk dat vaak voorkomt. 

Seppe is een 12-jarige doorzetter met een positieve kijk op het leven die op 10-jarige leeftijd te weten kwam dat die autisme heeft. Lees hier zijn verhaal.

Hoe ondersteun je een kind of jongere met autisme? 

  • Zorg voor structuur en voorspelbaarheid: Je kunt werken met een week- of maandplanning waarop je op voorhand aangeeft wat jullie zondag gaan doen. Wijk je toch af van de planning, doe dat dan niet te plots. Leg ook uit waarom jullie dat doen en wát jullie dan zullen doen. Deel de planning op tijd met de ouders, zodat zij hun kind kunnen voorbereiden op wat jullie in de Chiro gaan doen. 
  • Let op je communicatie: Trek de aandacht voordat je begint te praten. Gebruik duidelijke taal en korte zinnen. Taal wordt vaak letterlijk genomen, waardoor het kind iets op een andere manier kan begrijpen dan jij bedoelt. Let op met grapjes en figuurlijk taalgebruik. Spreek niet te snel en ga even na of het kind je begrepen heeft. Visualiseer je speluitleg als het moeilijker wordt. 
  • Zet talenten in de verf: Kinderen en jongeren met autisme weten vaak heel veel over een bepaald thema zoals auto's, vogels of Pokémon. Speel daarop in en stel bijvoorbeeld in een quiz een aantal vragen over dat thema. Ook kunnen sommige kinderen en jongeren met ASS extreem creatief zijn, goed tekenen of een boomhut bouwen die tot in de puntjes in orde is. 
  • Accepteer sommige zaken: Lichamelijk contact is niet evident. Hou daar rekening mee als ze een spel spelen. Oogcontact is soms lastig. Zet je naast iemand met ASS om in gesprek te gaan, dat gaat vaak makkelijker dan tegenover die persoon te zitten. Kinderen met autisme hebben vaak moeite om te snappen hoe anderen zich voelen. Probeer de gevoelens van anderen uit te leggen zodat dat voor het kind met autisme begrijpelijk wordt. 
  • Bereid je voor op een moeilijk moment: Soms kan een lid met ASS een paniek- of woedeaanval krijgen. Dat kan gebeuren als die veel prikkels krijgt (geluid, beeld, sociaal contact). Zorg dat je op voorhand een rustige ruimte afspreekt waar je lid naartoe kan gaan als die een paniekmoment krijgt. Dat kan een lege ruimte zijn of tegen een boom, zolang het een rustige plaats is. Stel je lid gerust en blijf er even bij als die dat wil. 
  • Vraag ondersteuning: Ouders van kinderen met ASS kunnen je tips geven voor de omgang met hun kind. Vraag of je eens kunt langskomen en zoek samen naar waar jij als leiding extra op zal letten. Kinderen met ASS gaan vaak – maar niet altijd – naar een school op hun maat. Naar welke school het kind ook gaat, de leerkrachten zullen het kind op een andere manier kennen dan jij. Als je op vragen of uitdagingen botst, kun je ook bij hen terecht. 

Lees het interview met Megan, ze is leidster op de Chiro met autismespectrum. Ook haar medeleiding vertelt mee hoe ze haar ervaren in de ploeg. 


Wat is het syndroom van down? 

Het syndroom van Down is een aangeboren afwijking. Mensen met downsyndroom hebben enkele typische uiterlijke kenmerken, en vaak (dezelfde) afwijkingen en moeilijkheden. Het gaat om een verstandelijke handicap, met milde tot zware beperkingen. Mits goede ondersteuning van hun zelfredzaamheid kunnen de meesten een gelukkig leven leiden. 

Kinderen en jongeren met Downsyndroom zijn niet allemaal hetzelfde. De verschillen kunnen zelfs heel groot zijn, met name bij: het begrijpen van taal, spreken en zelfredzaamheid. 

Hoe ondersteun je een kind of jongere met het syndroom van down? 

  • Let op je communicatie: Trek de aandacht voordat je begint te praten. Gebruik duidelijke taal en korte zinnen. Wees geduldig, spreek niet te snel en ga even na of het kind je begrepen heeft. Visualiseer je speluitleg als het moeilijker wordt. 
  • Heb aandacht voor zelfredzaamheid: Het sluiten van een broek, het toiletbezoek, zich wassen of aankleden is soms niet vanzelfsprekend. Neem hiervoor je tijd en doe het in stappen. 
  • Prikkelvrij en gehoorbestendig: Kinderen en jongeren met het Downsyndroom hebben soms een slecht gehoor. Indien ze een goed gehoor hebben kan het zijn dat er moeite is om in een ruimte met veel geluiden de informatie die voor hen bedoeld is te selecteren. Probeer voordat je gaat spreken oogcontact te maken; zorg dat de persoon met Downsyndroom niet te ver van de begeleiding staat; spreek in niet al te lange zinnen, vat eventueel de belangrijkste informatie samen in een paar duidelijke steekwoorden, maak zo mogelijk wat je wilt vertellen ook zichtbaar met visualisaties. Vertel zo nodig wat je aan de groep hebt verteld nog een keer kort individueel aan de persoon met Downsyndroom. Laat zo mogelijk de persoon met Downsyndroom de belangrijkste informatie hardop herhalen in een paar steekwoorden. 
  • Zorg voor structuur en voorspelbaarheid: Maak een duidelijke planning en overloop die met je deelnemers. Voorzie genoeg momenten waarbij je leden voldoende kunnen bewegen zodat ze hun gedachten de vrije loop kunnen laten. Maak duidelijke afspraken over wat waar thuishoort, en ondersteun met labeltjes, pictogrammen of een andere visualisatie. Wanneer er plots iets verandert leg dit dan goed individueel uit. 
  • Eerlijke toon: Gebruik geen verkleinwoorden of kleutertoon. Spreek vooral eenvoudig en met korte zinnen. 
  • Geef grenzen aan bij ongepast gedrag: Je hoeft niet alles goed te vinden omdat een kind of jongere het Downsyndroom heeft. Het zo maar zoenen of knuffelen van wildvreemde mensen is bijvoorbeeld, in de meeste situaties, geen gepast gedrag. Maak de persoon bewust dat dat niet vriendelijk is. Blijf jezelf.